Beeldenstormen in Rome?

Miko Flohr, 18/01/2018

De Romeinen hebben het groot gemaakt, het oprichten van standbeelden.  Met name in de keizertijd – en dan weer met name in de tweede eeuw van onze jaartelling – verscheen het ene standbeeld na het andere. Keizers, weldoeners, sporters (heel af en toe zelfs een vrouw!). In Pompeii, dat verwoest werd voordat de  standbeeldenmanie goed en wel begonnen was, groeide het forum in de eerste eeuw na Christus in een verbijsterend rap tempo dicht met standbeelden. Je kan er nog maar weinig van zien: de meeste standbeelden zijn vermoedelijk kort na de uitbarsting weggehaald (het forum was makkelijk te vinden, en vrijwel al het marmer was er verdwenen voordat de moderne opgravingen begonnen) en elders hergebruikt, of in een kalkoven beland, maar als je goed kijkt zie je op en om het plein overal voetstukken, vaak met een inscriptie die vertelt wie er ooit stond, en wat deze persoon zoal op zijn kerfstok had.  Ook elders in de stad vind je standbeelden – in het theater, rondom tempels, en op een paar plekken zelfs op de stoep. In Herculaneum richtte men in de eerste eeuw zelfs een plein in voor de man die destijds de belangrijkste weldoener van de stad was – Marcus Nonius Balbus (zie de foto hierboven).

Of de Romeinen ook standbeelden weghaalden? Dat is moeilijk te zeggen – wat weggehaald is vind je immers niet meer terug. De Romeinen zijn natuurlijk de uitvinders van de damnatio memoriae, maar op veel plekken vind je (resten van) beelden of zelfs beeldengroepen die het de hele keizertijd hebben volgehouden – met name de ‘goede’ keizers hielden lang stand – een standbeeld van Augustus of Trajanus werd niet zomaar weggehaald. Tegelijkertijd vind je ook talloze aanwijzingen dat het beeldenlandschap van steden in de loop der tijd kleine en grotere veranderingen onderging – met name de hoofden van beelden konden vervangen worden of, nog basaler, worden bijgehakt.  Ook brons was niet per se voor de eeuwigheid: het standbeeld op de foto hieronder – in het museum van Baiae – heeft het kapsel en het hoofd van Domitianus (81-96), maar het gezicht van zijn opvolger Nerva (96-98). De club die dit beeld in bezit had had blijkbaar geen geld om het te vervangen, maar moest, na het einde van Domitianus, wel van de in ongenade gevallen keizer af. De beelden van Vespasianus en Titus – de directe voorgangers van Domitianus – bleven overigens staan: een paar decennia terug zijn de drie beelden samen teruggevonden in Misene, bij Napels. Belangrijker was echter dat stedelijke ‘beeldenlandschappen’ voortdurend bleven groeien: er werden niet per se veel standbeelden weggehaald, maar er kwamen wel voortdurend nieuwe beelden bij.

Romeinen legden, als ze er de middelen voor hadden, hun publieke heden vast in beelden van marmer en brons, en dat leidde na verloop van tijd tot steden die vol stonden met het verleden. Standbeelden stonden overal in de Romeinse wereld – in steden, in heiligdommen, en in publieke gebouwen, en werden – in tegenstelling tot wat in ons straatbeeld gebruikelijk is – ook vaak door een flink aantal andere beelden omgeven: in Romeinse steden consumeerde je beelden groepsgewijs, niet in isolatie. Voetstukken waren soms best substantieel, maar veel vaker relatief bescheiden – zeker als het om gewone stervelingen ging: voor de keizer golden (deels) andere normen. Beelden stonden ook lang niet altijd middenin de ruimte, maar veel vaker aan de zijkant, of in een nis. Marcus Nonius Balbus (hierboven) was, in dat opzicht, een uitzondering (als de reconstructie uit de jaren ’30 tenminste correct is…). Als men dus als marmeren of in brons gegoten Romein al van een voetstuk geduwd werd, viel men niet diep, en liet men geen gapende leegte achter.

Het is interessant de verschillen te benadrukken. Ten eerste richt men in de Romeinse wereld slechts zelden standbeelden op voor daadwerkelijk historische figuren – de meeste standbeelden vereeuwigden het heden of, op z’n best, het recente verleden. Ten tweede, en belangrijker, zou je kunnen zeggen dat, in zekere zin, de Romeinse herinneringscultuur de nadruk legt op individuen als onderdeel van een grotere groep, waar in de westerse herinneringscultuur ruimtelijk een veel sterkere nadruk ligt op het individu in isolement. Dat verschil zit hem in de hoeveelheid standbeelden, maar ook in de ruimtelijke positionering. De ‘moderne’ benadering maakt ook dat de positie van een standbeeld van een individu waarvoor men nu geen standbeeld meer zou oprichten, een stuk controversiëler: er is visueel vaak geen ontkomen aan, en er staan geen anderen omheen die de aandacht af kunnen leiden. In dit opzicht hadden de Romeinen het misschien deels wat beter voor elkaar.