All posts by Miko Flohr

Beeldenstormen in Rome?

Miko Flohr, 18/01/2018

De Romeinen hebben het groot gemaakt, het oprichten van standbeelden.  Met name in de keizertijd – en dan weer met name in de tweede eeuw van onze jaartelling – verscheen het ene standbeeld na het andere. Keizers, weldoeners, sporters (heel af en toe zelfs een vrouw!). In Pompeii, dat verwoest werd voordat de  standbeeldenmanie goed en wel begonnen was, groeide het forum in de eerste eeuw na Christus in een verbijsterend rap tempo dicht met standbeelden. Je kan er nog maar weinig van zien: de meeste standbeelden zijn vermoedelijk kort na de uitbarsting weggehaald (het forum was makkelijk te vinden, en vrijwel al het marmer was er verdwenen voordat de moderne opgravingen begonnen) en elders hergebruikt, of in een kalkoven beland, maar als je goed kijkt zie je op en om het plein overal voetstukken, vaak met een inscriptie die vertelt wie er ooit stond, en wat deze persoon zoal op zijn kerfstok had.  Ook elders in de stad vind je standbeelden – in het theater, rondom tempels, en op een paar plekken zelfs op de stoep. In Herculaneum richtte men in de eerste eeuw zelfs een plein in voor de man die destijds de belangrijkste weldoener van de stad was – Marcus Nonius Balbus (zie de foto hierboven).

Of de Romeinen ook standbeelden weghaalden? Dat is moeilijk te zeggen – wat weggehaald is vind je immers niet meer terug. De Romeinen zijn natuurlijk de uitvinders van de damnatio memoriae, maar op veel plekken vind je (resten van) beelden of zelfs beeldengroepen die het de hele keizertijd hebben volgehouden – met name de ‘goede’ keizers hielden lang stand – een standbeeld van Augustus of Trajanus werd niet zomaar weggehaald. Tegelijkertijd vind je ook talloze aanwijzingen dat het beeldenlandschap van steden in de loop der tijd kleine en grotere veranderingen onderging – met name de hoofden van beelden konden vervangen worden of, nog basaler, worden bijgehakt.  Ook brons was niet per se voor de eeuwigheid: het standbeeld op de foto hieronder – in het museum van Baiae – heeft het kapsel en het hoofd van Domitianus (81-96), maar het gezicht van zijn opvolger Nerva (96-98). De club die dit beeld in bezit had had blijkbaar geen geld om het te vervangen, maar moest, na het einde van Domitianus, wel van de in ongenade gevallen keizer af. De beelden van Vespasianus en Titus – de directe voorgangers van Domitianus – bleven overigens staan: een paar decennia terug zijn de drie beelden samen teruggevonden in Misene, bij Napels. Belangrijker was echter dat stedelijke ‘beeldenlandschappen’ voortdurend bleven groeien: er werden niet per se veel standbeelden weggehaald, maar er kwamen wel voortdurend nieuwe beelden bij.

Romeinen legden, als ze er de middelen voor hadden, hun publieke heden vast in beelden van marmer en brons, en dat leidde na verloop van tijd tot steden die vol stonden met het verleden. Standbeelden stonden overal in de Romeinse wereld – in steden, in heiligdommen, en in publieke gebouwen, en werden – in tegenstelling tot wat in ons straatbeeld gebruikelijk is – ook vaak door een flink aantal andere beelden omgeven: in Romeinse steden consumeerde je beelden groepsgewijs, niet in isolatie. Voetstukken waren soms best substantieel, maar veel vaker relatief bescheiden – zeker als het om gewone stervelingen ging: voor de keizer golden (deels) andere normen. Beelden stonden ook lang niet altijd middenin de ruimte, maar veel vaker aan de zijkant, of in een nis. Marcus Nonius Balbus (hierboven) was, in dat opzicht, een uitzondering (als de reconstructie uit de jaren ’30 tenminste correct is…). Als men dus als marmeren of in brons gegoten Romein al van een voetstuk geduwd werd, viel men niet diep, en liet men geen gapende leegte achter.

Het is interessant de verschillen te benadrukken. Ten eerste richt men in de Romeinse wereld slechts zelden standbeelden op voor daadwerkelijk historische figuren – de meeste standbeelden vereeuwigden het heden of, op z’n best, het recente verleden. Ten tweede, en belangrijker, zou je kunnen zeggen dat, in zekere zin, de Romeinse herinneringscultuur de nadruk legt op individuen als onderdeel van een grotere groep, waar in de westerse herinneringscultuur ruimtelijk een veel sterkere nadruk ligt op het individu in isolement. Dat verschil zit hem in de hoeveelheid standbeelden, maar ook in de ruimtelijke positionering. De ‘moderne’ benadering maakt ook dat de positie van een standbeeld van een individu waarvoor men nu geen standbeeld meer zou oprichten, een stuk controversiëler: er is visueel vaak geen ontkomen aan, en er staan geen anderen omheen die de aandacht af kunnen leiden. In dit opzicht hadden de Romeinen het misschien deels wat beter voor elkaar.

De waarheid, de wetenschap en de mens

Miko Flohr, 23/12/2017

Van alle wetenschappelijke takken van sport is de studie van de mens veruit het meest complex. Deels is dat een probleem van praktische aard. Menselijk gedrag is vrijwel onmeetbaar, slecht modelleerbaar, vaak onbegrijpelijk buiten een specifieke context en in alle opzichten mateloos gevarieerd: het is voortdurend aan verandering onderhevig, en wat je op de ene plek dagelijks ziet, zul je op de andere tevergeefs zoeken. Wat nog komen moet is onvoorspelbaar, wat er is, is ongrijpbaar, en wat geweest is wordt in hoog tempo fragmentarisch—dat wat je morgen wil weten, blijkt gisteren per ongeluk te zijn weggegooid. Voordat je het menselijke goed en wel onder woorden hebt gebracht, is alles alweer anders. Πάντα χωρεῖ καὶ οὐδὲν μένει (*).

Tegelijkertijd is er een nog veel fundamenteler obstakel: is de mens eigenlijk wel in staat zichzelf te onderzoeken? Waar het in de exacte wetenschappen, en deels ook in de medische wetenschappen, nog enigszins mogelijk is om klinisch een probleem in kaart te brengen, verkruimelt de distantie wanneer de mens het menselijke onderzoekt. Dat is (volgens mij) vrijwel onvermijdelijk: we dwalen niet als onbeschreven bladen door de wereld die we bestuderen, maar worden gedreven en gestuurd door allerlei ideologische, culturele en religieuze preoccupaties—en de meest fundamentele preoccupaties hebben betrekking op wie we zijn, hoe we (samen)leven, waar we vandaan komen en waar het met de mens naartoe moet. Iedere wetenschapper die mensen onderzoekt – in het nu of in het verleden, vlak bij huis of heel ver weg – verhoudt zich tot zijn onderzoeksobject, en die verhouding is eigenlijk per definitie ideologisch gekleurd – of je je nou met Romeinse keizers bezighoudt, met leprozen in de middeleeuwen, of met sociale fragmentatie in het Europa van de vroege eenentwintigste eeuw. Dit geldt bovendien niet alleen de wetenschapper zelf, maar zeker óók zijn publiek.

Ware, ‘objectieve’, onveranderlijke wetenschappelijke kennis is dan ook, als het over mensen en samenlevingen gaat, vaak een illusie, en dat is het des te meer zodra (1) de thema’s dichter bij huis komen en de ideologische ‘ballast’ die de onderzoeker meetorst zwaarder weegt, en (2) de analyse zich meer richt op alledaagse situaties, die je nauwelijks kan meten, maar die wel heel bepalend voor allerlei belevingswerelden kunnen zijn. Niets zo moeilijk in objectieve termen te vatten als het microniveau van alledag in onze eigen samenleving – als het over de betekenissen dagelijkse sociale en culturele processen gaat, is de empirie in veel opzichten een tandeloze tijger, en is het al heel wat als je woorden kan vinden waarmee je je observaties breed kan communiceren. Moeten we dat dan maar niet op wetenschappelijk niveau bestuderen? Dat zou een vergissing zijn: mensen ontlenen betekenis aan, en worden zichzelf via alledaagse ontmoetingen. Inzicht in dat soort menselijke processen behoort tot de meest fundamentele vormen van wetenschappelijke kennis—het is alleen verdomd lastig te verkrijgen.

Gloria Wekker begeeft zich op een terrein waar dit probleem zo ongeveer het hevigst speelt: haar onderzoek speelt in het hier, in het nu, en gaat over een onderwerp dat in Nederland ideologisch extreem beladen is, en waarover het extreem lastig is goede gegevens te verzamelen. Je kan vinden dat ze wel erg stellig is in hoe ze het opschrijft, en je kan (met mij) vinden dat ze wel erg veel uit haar eigen ervaringen put, maar iedere analyse van haar werk zou moeten vertrekken vanuit de observatie dat het nog niet zo simpel is om een boek te schrijven over de manier waarop het postkoloniale ‘culturele archief’ zich uit in het Nederland van 2017, en over alle kleine (en grotere) gebeurtenissen waaruit de inhoud van dit ‘culturele archief’ duidelijk wordt. Daar komt nog bij dat de lezers van Wekker niet als onbeschreven blad tot haar werk komen – daarvoor is het onderwerp veel te beladen in ons land. Iedereen die in White Innocence leest doet dat vanuit een ideologisch gekleurde positie. Ook ik. En ook gij, Theepot. Is het mogelijk om ‘objectief’ over racisme te schrijven in een samenleving waarin je zelf leeft? Vermoedelijk niet. Is dit thema wetenschappelijk onderzoek waard? Hell yeah, en liefst door zoveel mogelijk verschillende mensen.

Wat Wekker doet staat in een duidelijke methodologische traditie die gevormd is vanuit precies deze problematiek: hoe bedrijf je wetenschap op een terrein waar de ‘wetenschappelijke methode’ van de harde sciences niets te bieden heeft? Hoe kom je van een observatie tot iets dat je betekenis zou kunnen noemen, zonder te verzanden in anekdotes?  Wekker vertrekt vaak vanuit een specifieke situatie, en extrapoleert die dan via literatuur.  Het is gemakkelijk om vanaf de zijlijn te roepen dat het allemaal statistisch significant onderbouwd moet worden, maar bij veel van de situaties die ze bespreekt is dat simpelweg niet aan de orde. Is het daardoor minder objectief? Ja, ongetwijfeld. Is het minder wetenschappelijk? Nee. Het bouwt voort op en draagt bij aan een duidelijk wetenschappelijk discours, en zal de komende jaren ongetwijfeld vertrekpunt zijn voor allerlei wetenschappelijk onderzoek dat het ‘model’ van Wekker van cachet zal voorzien, of zal doen wankelen.

Wekker is niet de enige die zo werkt. Hoe dacht u dat we, bijvoorbeeld, radicalisering onderzoeken? Ook daarvoor zijn onderzoekers (deels) gebonden aan close reading en thick description (*) van soms heel fluïde, nauwelijks te verifiëren situaties, en hangt veel af van vaak direct betrokken bronnen met zelf slechts beperkte kennis. Toch kun je langs deze weg tot duurzame inzichten komen. Het kost veel tijd en moeite, en vooral debat, want waar wetenschap over mensen gaat, gaat zij niet over absolute waarheden. Dat kan ook helemaal niet, en het is hoog tijd dat de manier waarop wij over wetenschap praten zich weg beweegt van de door natuurwetenschappen ingegeven objectiviteitsdrang. Wetenschap gaat, in essentie, ook helemaal niet over weten, maar over begrijpen en verklaren, en over het onder woorden brengen van allerlei complexe werkelijkheden, die er door verschillende ogen vaak anders uitzien. Daar heb je soms niet zozeer statistiek voor nodig, als wel een scherp oog, een dikke pen, en de confrontatie met het werk van anderen, die vanuit een andere (ideologische) positie naar een vergelijkbaar probleem kijken. Wetenschap over de wereld van de mens is een gesprek, waarbij vooral belangrijk is welke inzichten op langere termijn beklijven. Of die van Wekker daarbij horen, zal de tijd leren.

 

Waking up the sleeping giants? Towards a richer and more inclusive research environment in the Social Sciences and the Humanities

Miko Flohr, 16/11/2017

This is the text of a brief essay that I presented at the synergy conference of NWO’s Social Sciences and Humanities division held in Utrecht, on 16 November 2017.  

When I heard that NWO was going to merge its humanities and social sciences domains, I had my reservations – as had many colleagues. These were two large domains; they each had their own distinct character, and each already represented an exceptionally broad disciplinary paradigm. What good could come out of this? Yet the cautious way in which NWO is implementing the merger has, at least for now, taken away some of my doubts, and it is true that the new social sciences and humanities domain also offers some great opportunities, especially if it will be able to tweak funding instruments to the needs of the researchers that it serves.

In this way, the merger also would make sense:  while there are many differences between the social sciences and the humanities that cannot and should not be bridged, the two domains find each other in their institutional context: both humanities and social sciences faculties include a lot of academics whose careers primarily develop around teaching. Many of these lecturers are actually brilliant researchers, and they could produce work of the highest quality, but once they are more than a year or five beyond their Ph.D., and once they have missed the first major funding opportunities because they were too busy teaching, it becomes very hard for them to get a grant – they generally do not have the CV for the bigger grants, and there are very few grants for personal development after the VENI.

These lecturers are our sleeping giants. Their current situation is bad for them, but it is also bad for the social sciences and humanities as a whole, as a lot of intellectual capital is not being mobilized. Most research is being done by grant-holders, by their Ph.D.-students and by their postdocs, while ‘normal’ lecturers have few opportunities to enrich their teaching with exciting new research of their own. As many postdocs and Ph.D.-students move on to careers outside the university when large projects finish, a lot of ‘new’ research expertise is leaking away from academia. As teaching in many disciplines in the social sciences and the humanities is one of the most powerful vehicles for knowledge utilization, the impact of NWO-funded research is under pressure.

There is no doubt that the merger makes it easier to address these problems. Moreover, it is not a matter of inventing the wheel: good funding instruments already exist elsewhere. One example is the mid-career fellowship of the British Academy, which plays a key role within the Social Sciences and the Humanities in the UK by giving experienced academics two or three years research time and a bit of money to complete a major piece of research. This is not expensive, and it really helps. Arguably, we need to wake up our sleeping giants. Targeting this group with effective funding instruments would make our research environment richer, and more inclusive – and this would be one of the best forms of synergy that the new domain can possibly achieve.

Myth-busting the acoustics of ancient Greek theatres – or not?

Miko Flohr, 19/10/2017

It sounds like a classic anecdote of the inevitable progress of science: while everyone had long believed that the acoustics of Greek theatres were astounding, scientists had now finally done their measurements, and had concluded that it was all different. Contrary to what tour guides tell you on site, you cannot normally recognize the sound of a coin being dropped on stage when you’re in the highest row of the cavea. You can hear paper being torn only to half way up the seating. If you want speech to be recognizable for the audience further away from the orchestra, you need actors to speak loudly. Thus, lo and behold, on closer inspection, the stories told by local tour guides appeared to be a little bit exaggerated, and it emerged that there were limits to the acoustical qualities of ancient Greek architecture.

Actually, the story left me a bit surprised. Here we have a team of acoustical scientists who boldly go where no-one has ever gone before, bring in a couple of microphones and speakers, do some measurements and a bit of computing, and call the press to share their amazing discoveries. Except that the discoveries were not, in fact, so amazing, and there are some serious questions to be asked about the way in which this team of scientists conducted their work and organized their project. This does not so much concern their actual measurements – they will be competent acoustical scientists, they know their field, they know how to measure sound, and they will probably have built up an accurate picture of the acoustical qualities of the environments that they investigated. I assume their methodology is innovative and successful, and will contribute to changing their scientific field.

Yet no myth was busted, since, basically, no such myth ever existed. True, many classical scholars will believe that the acoustics in Greek theatres were reasonably good (which the measurements confirmed), and some classical scholars in the past have made exaggerated claims comparable to those made by tour guides, but this is not an idea that dominates the study of Greek (or Roman) theatres nowadays. If anything, one could argue that there is no such thing as an articulated position shared by the field, though I guess discourse about theatre and audience has highlighted quite a few of the acoustical complexities involved in staging a performance in a Greek theatre. One could add that there is reason to assume that acoustics, though important, were not always top on the list in theatre construction – many theatres were built as prestige projects and may have been larger than the average expected audience. Thus, in practice, the acoustical scientists seem to have attacked a strawman. This should be no surprise: despite the name of the project (‘ancient acoustics’) no classicist or archaeologist was ever involved in it, and the publications listed at the end of their papers do not include any archaeological or classical scholarship. Indeed, they did not even bother to make any references to publications detailing the theatres where they did their measurements!

Does this absence of classical scholars matter? Yes it does. First, it meant that the project misunderstood the state of scholarship regarding the acoustical qualities of Greek theatres – typically, one of their papers starts with the claim that ‘The theatres are renowned for their alleged exceptional acoustics’ without any reference to academic literature actually stating this. Secondly, I am at a loss why it is at all possible to go measure sound in an archaeological context without an archaeologist present to guide the handling of this valuable and often vulnerable heritage, which can be extremely challenging to understand even for professionals. Thirdly, if it is an aim for the project to understand the acoustical qualities of Greek theatre architecture (which is what they state on their project website), then you certainly need a specialist to compile a credible sample and to decide which of the 600-odd Greco-Roman theatres are going to be measured. The present selection is not defended, and looks odd. Epidauros, though exceptional, makes sense, the odd theatre at Argos and the (probably roofed) Odeon of Herodes Atticus much less so.

The fourth point, however, is crucial: you need an archaeologist, or significant familiarity with the archaeological literature, to understand how measurements of the current acoustics relate to the ancient acoustics that the project is said to be all about. If one wants to know whether the Greeks were ‘ahead of their time’, as the dutch version of the project website claims, you are not talking about simply measuring the buildings in their present state, but about modelling their acoustical landscape in their ancient state – or rather states, as many theatres went through several building phases that can only be understood by studying their archaeology to quite some detail. In short: the ancient acoustics project should have been designed with an experienced classical archaeologist on board right from the start. It is a strange, and almost indefensible omission – imagine a classical archaeologist working in a chemical lab without a chemist present. Interdisciplinarity is a good thing. Extradisciplinarity is not.

There’s a bigger point here, too: the acoustical scientists are not alone. There appears to be a tendency among scientists to use the classical world – and particularly certain famous anecdotes – as a test case for developing and testing methodologies in their own field. The fall of the Roman Empire has been used by climate historians as a test case for relating climatic change to historical events, as has, more recently, been true for the role of volcanic eruptions in the fall of Ptolemaic Egypt (and particularly Cleopatra). There are I do not know how many attempts to measure the amount of lead and heavy metal contamination in Roman tap water. This is not necessarily a bad thing, but while many of such stories have made it to the press (Classics sell!), very few have actually made a serious impact in Classical Studies. This is because in many of these studies the emphasis lies on the scientific analysis and its technicalities, not on integrating it with the indefinitely more complex and fragmented historical and archaeological material, or on connecting it with current discourse in classical scholarship. In other words: we, classical scholars, need to be at the drawing table of such projects more often, and we need to make sure that there is space for our approach to the matter as well, and for our critical tradition. And if we’re by accident or design not at the drawing table, we need to make clear – if necessary publicly – that that is not normal, and not acceptable.

Professor Cliteur en de rol van academici in het publieke debat

Miko Flohr, 03/08/2017

Ik heb ergens een zwak voor mensen met intrinsieke maatschappelijke bevlogenheid. Of ik het nu met ze eens ben, of niet—vanuit de grond van je hart iets vinden over deze wereld en daar serieus werk van maken is iets dat uiteindelijk veel te weinig mensen gegeven is. Op een bepaalde manier had ik dan ook altijd wel respect voor Paul Cliteur. Zijn ideologische positie is niet de mijne, maar hij zorgt voor zover ik dat kan zien goed voor zijn idealen, heeft een substantiële groep mensen om zich heen verzameld, en draagt al jaren bij aan allerlei debatten. Cliteur regelde eigenhandig geld voor de promotie van Machteld Zee (van anonieme donoren), en stond als promotor en aanjager aan de basis van de carrière van Baudet. Daar valt heel veel over te zeggen, maar volgens mij handelt Cliteur daarin vanuit een oprecht ervaren, intrinsieke, persoonlijke motivatie, en gebruikt hij volkomen legitieme middelen. Ik heb daar, ergens, oprechte bewondering voor: als je vanuit bevlogenheid school wil maken op het kruispunt van academie en samenleving, dan is Cliteur op praktisch niveau in vele opzichten simpelweg een voorbeeld. In principe.

Het is ook belangrijk dat wetenschappers zich uitspreken over de wereld buiten hun academische niche. Dat levert van meerdere kanten weerstand op—buitenstaanders horen je liever praten over zaken waar je ‘echt iets van weet’, en ook onder academici is er terughoudendheid om als academicus stelling te nemen over (politiek) gevoelige onderwerpen. Ik ben zelf lang bang geweest (en anderen voor mij) dat al die uitgesproken meningen, publiekelijk uitgevent op allerlei platforms een nagel aan mijn academische doodskist zouden worden. Het is niet zo gelopen gelukkig, maar het was ook een bewuste keuze om het niet te laten—niet alleen wegens apert burgerschap, maar ook omdat je juist als academicus vanuit belezenheid en ervaring soms argumenten kan aanleveren die ertoe doen. Er is geen enkele reden om daarin terughoudend te zijn: daarvoor ben je opgeleid als wetenschapper, en dat overstijgt specialisatie en vak. Het debat wordt beter als intellectuelen ook meedoen.

Ik denk alleen wel dat er aan academici terecht hogere eisen worden gesteld, zeker als ze—zoals Cliteur nu min-of-meer wekelijks doet—opiniestukken schrijven met een nadrukkelijk beroep op hun academische titel. Niet aan die eisen voldoen slaat bovendien terug op de hele beroepsgroep: een flink deel van het sociale kapitaal van ‘de academie’ staat of valt met de bijdragen die wij, academici, leveren aan allerlei maatschappelijke debatten. In dat licht maak ik me zorgen over de recente bijdragen van Cliteur en niet omdat hij een ideologische positie inneemt die niet verdedigd zou mogen worden, maar omdat hij bij voortduring vertrekt vanuit feiten en aannames die de toets der kritiek—to put it mildly—maar matig kunnen doorstaan. Ik geef drie voorbeelden.

In zijn stuk van 2 augustus over ‘occidentofobie’ rept Cliteur over een wijdverbreide ‘haat jegens wat we zijn’ zonder te specificeren hoe wijdverbreid die zelfhaat wel niet is, bij wie die zit, en hoe die zich concreet manifesteert in onze samenleving. Hij beweert dat die zelfhaat ons ‘zwak’ zou maken, maar legt niet uit hoe. Hij beweert dat ‘we’ denken dat onze cultuur relatief is omdat we vinden dat ‘alle culturen gelijk zijn’, maar vergeet daarbij schijnbaar dat dat op gespannen voet staat met de zeker in progressieve kringen brede populariteit van de universele (en dus absolute) rechten van de mens.

Eerder, in zijn column van 28 juli, introduceert Cliteur het begrip ‘racificatie’, en stelt dat we daar in onze samenleving in toenemende mate last van hebben: verzet tegen migratie zou en masse als ‘racisme’ worden betiteld, en ‘racificatie’ zou—ik moest twee keer kijken maar het staat er echt—door ‘people of color’ als carrièrestrategie worden gebruikt. Geen toelichting, geen namen, geen rugnummers. Geen onderbouwing—de lezer moet het doen met het humeur van Cliteur. Ik had zelf eerder het idee dat de verbale en argumentatieve uitwassen van sommige immigratiekritiek als ‘racistisch’ werden bestempeld, en niet zozeer het ‘verzet’ zelf.

In een recensie van Paul Nielsens ‘How to debate the Left on Islam’ (17 juli) rept Cliteur tenslotte over de ‘politiek-correcte islam-apologeet’—zijn taalgebruik maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een endemische diersoort die alomtegenwoordig is, en die in Nederland de facto het discours domineert. Argumenten ontbreken ten enen malen. Het is een beetje hallucinant, eigenlijk: ons integratiedebat wordt al jaren gedomineerd door conservatieve scherpslijpers, overheidsbeleid schuift alleen maar verder op naar rechts, en men blijft maar roepen dat de politiek correcte islamapologeten hier de dienst uit maken.

Nogmaals: wat stoort is niet de ideologische positie—laat Cliteur vooral met goede argumenten uitleggen hoe hij de wereld ziet. Wat stoort is het gebrek aan onderbouwing van essentiële basisaannames—denkt iedereen wel de dingen die Cliteur hen in het hoofd legt? Zijn wij progressieven allen islamapologeten? Vinden wij cultuurrelativisten echt allemaal dat er geen goed en kwaad bestaat in de wereld? Wordt het woord ‘racisme’ echt zo misbruikt? Ik herken daar vrij weinig van—noch bij mezelf, noch in mijn omgeving, noch in het debat als zodanig. Het lijkt erop dat Cliteur soms wel erg vrijelijk met andermans mening omspringt. Als collega-academicus stoor ik mij daaraan. Ik vind dat je van een academicus wat meer mag verwachten dan dit soort gemakzuchtige stropoppen, en ik hoop ook dat Cliteur zich, als hij dit soort stukjes schrijft, ten volle bewust is van niet alleen de academische vrijheid die wij allen zo hoog in het vaandel hebben, maar ook van de verantwoordelijkheid die het publiekelijk voeren van een doctorsgraad en een hoogleraarstitel met zich meebrengt.

Bij de opstand tegen de ‘linkse elite’

Miko Flohr, 12/02/2017

Ik was nooit zo van de elite, vond ik. De elite, dat waren zij daar, in hun dikke zwarte auto’s, met hun dikke portemonnee en hun dikke vinger in de pap. Vroeger, in dat dorp van weleer, waren we al helemaal niet van de elite. De elite, dat was het CDA, en dat waren wij thuis beslist niet. Wij, die van links, waren daar maar met weinig, en als er al eens iets in de lokale melk te brokkelen viel, dan was blijvend succes beslist niet vanzelfsprekend. Stapje vooruit, stapje terug, stapje opzij, en voor straf een concessie aan het CDA. Ik had een onbezorgde jeugd in het middelste huurhuis in een rijtje van drie, maar groeide op in de wetenschap dat progressieve waarden doe over mijn paplepel naar binnen gingen in de buitenwereld beslist geen gemeengoed waren. Niet in het Loon op Zand van Van Dun, niet in het Nederland van Lubbers, en al helemaal niet achter het Gordijn, of bezuiden de Mediterannée.

Ik vond het ook altijd maar raar, dat ze tegen onze gymnasiumklas maar bleven zeggen dat we de bloem der natie waren. Op zaterdag, in de kleedkamer, vonden ze dat hele Latijns vooral gelul – ik kon het niet eens praten! Op het veld werd gecommuniceerd in eenlettergrepige exclamaties, en op de training kreeg je gewoon een schop. Normaal doen, klootzak, en hier met die bal. Met progressieve praatjes over uitkeringen en vluchtelingen hoefde ik al helemaal niet aan te komen. Allemaal luilakken. Profiteurs en uitvreters. Geen plaats in de herberg. Het was 1992, en het land dat ik kende was rechts en conservatief. Ik niet.

Een paar jaar later ging ik het dorp uit, en de stad in. In Nijmegen werd het makkelijker om gelijkgezinden te vinden, maar de norm bleef waar hij altijd was geweest: rechts van het midden. De PvdA zat dan wel in het kabinet, en er gebeurden allerlei progressieve dingen rondom euthanasie en homohuwelijk, maar ondertussen regende het ronkende VVD-oneliners over de BV Nederland, en werd de samenleving vermarkt waar we bijstonden. Het was verfrissend dat we even van het CDA af waren, maar Nederland was niet opeens links geworden. De PvdA was rechts geworden. De elite, dat waren zij, daar rechts, en daar, links, lagen hun ideologische veren. Althans, zo zag ik het, destijds.

Ik studeerde af in het Nederland van Pim Fortuyn, en nog steeds was links niet aan de macht. Wel kregen ‘we’ opeens van van alles de schuld, niet in de laatste plaats van de moord op Fortuyn zelf, en werd er met steeds meer dedain gesproken over wereldvreemde linkse elites die blijkbaar bij voortduring allerlei controle hadden gehad over van alles en nog wat, en het land decennialang hadden verstikt onder een deken van politieke correctheid. Gezegd moest het allemaal worden, en gezegd werd het. Steeds vaker, steeds virulenter, en met steeds minder gevoel voor andere gezichtspunten. Het land was nooit bijster progressief geweest, maar de linkshaat klotste nu wel heel erg tegen de plinten. Althans, dat vond ik toen.

Het was 2003. Wist ik veel.

Inmiddels is het 2017 en extreemrechts bepaalt al vijftien jaar met veel succes de richting van het debat. Jaar na jaar zijn de grenzen opgeschoven. Er was een tijd, nog niet zo heel lang geleden dat we het hadden over ‘integratie’. Inmiddels gaat het allang niet meer over betere manieren om samen te leven, maar over het ‘terugveroveren’ van ‘ons land’ op een vijandige religie, over het sluiten van moskeeën, en over het afrekenen met de linksprogressieve elite. Geen idee meer waar deze waanzin ooit stoppen gaat.

Ik woon in een te klein flatje, en heb een klein baantje op de universiteit. We klagen niet, het is een topleven, maar een leven in de relatieve marge. Toch schijnt het zo te zijn dat ik bij ‘de elite’ hoor, en ik hoor steeds vaker dat ‘het volk’ binnenkort in opstand komt tegen mensen als ik – de zogenaamde ‘winnaars’ van de globalisering. Het heeft iets bizars, al die rechtse woede, deels afgevuurd vanuit comfortabele tweeondereenkappers en vrijstaande villas (terwijl ik al heel blij zou zijn met een rijtjeshuis). Vooral de stelligheid is verwarrend: je gaat het haast zelf geloven, dat wij, de linksprogressieven, de instituties van dit land al jaren aan onze zijde hebben.

Dat is niet zo. We leven in een rechts land, dat altijd al best wel rechts was, en de laatste jaren retorisch steeds verder naar rechts is opgeschoven – economisch, sociaal en cultureel. Wij, de linksprogressieven, zijn de uitdagers van de zittende macht. Dat waren we altijd al, en dat zijn we nog steeds. Het is makkelijk dat te vergeten als je virtueel besprongen wordt door een horde woedende PVV-ers of wordt gegaslight door de Wierd Duk van dienst, maar daardoor niet minder waar: de PVV groeit op de ontbindende kadavers van traditionele rechtse machtspartijen – het CDA voorop. Wilders is geen uitdager van de zittende macht. Hij is de zittende macht in zijn meest giftige, cynische gedaante. Hij zal bestaande problemen met ongelijkheid en segregatie dramatisch verergeren, niet oplossen. Hij is geen alternatief. Het enige echte alternatief voor de status quo ligt, al jaren, op links.

Vanuit die gedachte zal ik op vijftien maart stemmen. Het zal vast niet makkelijk worden, want het volk is rechts, en moet er niet veel van hebben, van al dat progressieve gedoe enzo. Maar, allejezus mensen, wat is het tijd voor verandering.

Best wel klaar met al die stropoppen over de multiculturele samenleving

Miko Flohr, 08/10/2016

Ik ben geen fervente tegenstander van de multiculturele samenleving – dat wist u vermoedelijk al. Wat u wellicht nog niet wist is dat ik eigenlijk ook niet echt een voorstander ben van de multiculturele samenleving. Misschien wel nooit geweest ook. Ik zou ook eigenlijk niet zo goed weten waar ik voor of tegen moet zijn – een samenleving is multicultureel of niet, en dat lijkt me in niet zozeer een ideaal, als wel een demografisch feit. Je kan dat mooi of lelijk vinden, maar het blijft eerst en vooral een feit. En over dat simpele feit heb ik niet zo’n sterke mening, eigenlijk. Het is zo.

Ik begreep ook niet waarom iedereen zo boos werd op Ella Vogelaar, toen ze tien jaar terug zei dat, op termijn, de islam deel van onze cultuur zou worden. Het leek me dat ze sprak over een simpele, op demografische gronden gebaseerde waarschijnlijkheid, niet over of zoiets wenselijk of onwenselijk was. Ik denk ook nog steeds dat ze gelijk heeft, trouwens, en ik denk dat het zogenaamde ‘islamdebat’ waar we nu al jaren middenin zitten een belangrijke eerste stap in die onvermijdelijke richting is. Maar dat terzijde.

Multiculturalistische wegkijkers? Nou…

Wat om die reden ronduit storend is zijn de onweersproken spookverhalen over zogenaamde ‘multiculturalisten’ die zouden menen ‘dat moslims gevrijwaard moeten blijven van kritiek omdat zij daarvan psychologische schade zouden ondervinden’. Misschien voel ik me te snel aangesproken door deze woorden van Machteld Zee uit het interview met Wierd Duk, maar in Nederlandse context gaat het bij ‘multiculturalisten’ bij uitstek over mensen van linksprogressieven huize – zoals ondergetekende (zie ook de subtiele hint van Ewout Klei in deze richting).

Kort en goed: dat vind ik helemaal niet. En als ik om me heen kijk vinden best wel heel veel mensen in mijn linksprogressieve kerk waar ik naar onze linksprogressieve hoogmis ga, pertinent niet dat moslims of de islam gevrijwaard zouden moeten blijven van kritiek. Kritiek hoort bij een open, multiculturele samenleving, en iedereen die onderdeel wil zijn van dat grotere, pluriforme geheel zal ermee moeten leren leven dat niet iedereen hetzelfde tegen de wereld aan kijkt. Punt.

Cultuurrelativisme? Ach…

Hetzelfde geldt dat eeuwige gewapper met het linkse cultuurrelativisme – alsof we allemaal postmodern ieder geloof in een objectieve standaard kwijt zouden zijn en vinden dat alle culturen in al hun aspecten altijd gelijkwaardig aan elkaar zouden zijn. Niets – echt niets – is minder waar. Er zijn vast nog wel ergens een paar doorgesnoven hardcorepostmodernisten te vinden, maar in de linkse kerk die ik ken, bezingen we toch echt een tamelijk universele standaard – die van de rechten van de mens, de man, de vrouw en het kind. U weet wel.

Voor mij is cultuurrelativisme altijd een relativisme binnen die universele standaard geweest, en hoewel je jaren kan soebatten over hoe zo’n standaard er nou uit moet zien, en over of ie nou echt wel zo universeel is, of toch best wel een beetje westers (en dus in wezen ‘imperialistisch’) – geen multiculturele samenleving kan zonder zo’n gedeelde standaard – samenleven is immers niet hetzelfde als bij elkaar in de buurt wonen. Ik heb eigenlijk nooit zo goed begrepen waarom men denkt dat mensen als ik dat idee niet zouden onderschrijven.

Stropoppen voor de eigen parochie? 

En zo haak ik eigenlijk al bij voorbaat af bij het betoog van Machteld Zee, en bij dat van zoveel andere ‘islamcritici’ omdat ze een stropop bestrijden – een stropop die men vaak zelf bedacht heeft, en waarin men vaak zo is gaan geloven dat men niet meer kan of wil zien dat de realiteit vaak toch wat anders ligt – het applaus van de eigen parochie is daarvoor misschien ook wel te hard.* Daarom, ten overvloede, en voor alle duidelijkheid: natuurlijk hebben we hier een gedeelde standaard, natuurlijk moeten we reële problemen benoemen en aanpakken, natuurlijk moeten we kwaadaardige religieuze netwerken blootleggen en oprollen, en natuurlijk moeten we onfrisse regimes ontmaskeren en isoleren – in tegenstelling tot, pakweg, de VVD vinden we op links vaak weer wel dat principes ertoe doen in het internationale verkeer, en dat mogen ze in pak-hem-beet Saudi-Arabië best wat nadrukkelijker horen.

Maar dat zijn zaken die voor zich zouden moeten spreken. Net zo voor zich als dat het een kenmerk van een multiculturele samenleving zou moeten zijn dat die zaken waarvan je samen vindt dat het niet tot de gedeelde standaard behoort divers, mogen zijn. Over waar precies die grens ligt, en over hoever je inschikt voor elkaar – daarover gaat het debat. Niet over of ‘de islam’ in Nederland hoort of niet, en over of we een multiculturele samenleving zouden moeten willen zijn. Het stadium waarin die vraag relevant was, is reeds veertig jaar geleden gepasseerd.

* Dit is uiteraard met enige frequentie ook omgekeerd het geval – niet minder spijtig, naar mijn smaak.

 

Innovation and Society in the Roman World

Miko Flohr, 06/10/2016

M. Flohr (2016), ‘Innovation and Society in the Roman World’, Oxford Handbooks Online. DOI: 10.1093/oxfordhb/9780199935390.013.85

One of the most eye-catching tombs along the Via Appia stands some four miles outside the city, close to the Villa dei Quintili, on the east side of the road. Essentially, what remains of it is just an enormous mass of concrete, meticulously deprived of its stone facing at some point between antiquity and modernity. Its construction date is unknown, but to judge from its size and its use of concrete, it is probably early imperial, perhaps Julio–Claudian or Augustan. It is a large example of the monumental Roman tomb architecture that emerged in the late republic and of which the development cannot be seen apart from the development and spread of opus caementicium, which made it possible to construct larger, architectonically more daring monuments at a reasonable price, making them available to much larger groups of people—as the first miles of the Via Appia attest. Not far from the tomb is the point where there was, in antiquity, a good view from the Via Appia over two aqueduct bridges that were built to cross the plain between the Alban Hills and Rome. The lower of the two aqueduct bridges dates to the second century bc. It was built for the Aqua Marcia but had the Aqua Tepula and the Aqua Iulia superimposed on it later. It was made of tufa and had low, wide arches. The higher, more monumental aqueduct bridge stood out with its elegant, high arches in tufa. It was built between ad 38 and ad 52 and carried the Aqua Claudia and the Anio Novus. Critical to both aqueducts is the arch, an innovation that became increasingly widespread from the second century bc onward. At the time they were constructed, both aqueducts presented a clear innovation in hydraulic engineering: the Aqua Marcia was the first Roman aqueduct with such a long section above the ground, and the Aqua Claudia was unparalleled in its height. Obviously, the Via Appia itself also presented an innovation when it was constructed in the late fourth century bc in the way it was imposed on the landscape, running in an almost perfectly straight line between Rome and Terracina, with the exception of a short section near Ariccia, where it had to divert in order to successfully cross the southern part of the Alban Hills. What for modern viewers might look like a landscape of memory may very well have looked differently through Roman eyes: as an environment, the Via Appia, in the early imperial period, was not a romantic relic of a faraway past but a clear manifestation of Roman achievement. Especially in the first century ad, it was a landscape of innovation at least as much as a landscape of memory.


The Via Appia was no exception: Roman construction and engineering technology had a deep impact on landscapes throughout the Roman Empire. Indeed, in the very place where it started, Rome, the widespread application of the same new building technologies created private architecture of dimensions hitherto unknown, resulting in an urbanism of a completely new category. Outside Rome, increasingly advanced engineering enabled the Romans in the first centuryad to dig the tunnels and canals necessary to drain parts of the Fucine Lake, not only creating more agricultural land but also transforming the entire Fucine region, as indeed had been done before with the plain of Rieti and, earlier still, with the plain of Ariccia on the Via Appia in the Alban Hills. Perhaps the most dramatic impact of innovation on the landscape is to be found in Asturia in northwest Spain, where the Romans in gold mining applied a practice they called ruina montium, which meant that they exposed mountains to high quantities of water, leading to collapse and to the liberation of gold-rich sediments, which then could be further processed. The environmental effects of this practice are still clearly visible, especially at the site of Las Medulas.

In many places, and in many ways, the Roman world looked like no world had done before; and to a considerable extent, this was due to innovation—the emergence and spread of new ways of doing things. The present article highlights this societal impact of innovation in the Roman world, particularly focusing on the changes it brought to the direct living environment of people. After two introductory sections on the history of the debate about innovation in the Roman world and the wider culture of innovation in the late republican and early imperial periods, two key aspects of this will be discussed. Firstly, there were innovations in the manufacturing of everyday consumer goods that changed the material culture with which people throughout the Roman Empire surrounded themselves. Secondly, there is the emergence of advanced construction techniques that redefined the physical environment in which everyday life took place, in cities and, to some extent, the countryside. While the theme of innovation is, of course, broader than these two issues, other aspects have been covered rather well in recent contributions to the debate, as will be highlighted in the next section; and their omission does not affect the overall argument made here, which is that technological innovation was fundamental to the historical development of everyday life in the Roman world from the second century bc until well into the second century ad.

Read more

Conference: Urban life and the built environment in the Roman world

Miko Flohr, 03/09/2016

Gravensteen, Pieterskerkhof, Leiden, 7-9 December 2016

This conference builds upon recent and ongoing discourse in the study of Roman urbanism to explore the relation between architecture and society in the Roman world. While recent decades have seen spectacular developments in the theories and concepts that inform the study of Roman urbanism, not all spheres of urban life have profited equally, a lot of discourse has gravitated around a limited number of showcase sites (particularly Pompeii and Ostia), and there have been relatively few attempts to draw links with the world beyond Central Italy.

This conference focuses on four spheres of activities—religion, politics, commerce, and movement—and brings together specialists focusing on several parts of the Roman world, with a particular focus on the more densely urbanized regions in the Mediterranean. Approaches will vary between micro-scale and more wide-ranging, and issues on the agenda particularly include the identification of regional trends, and the impact of urban development on local communities.

Confirmed speakers include Touatia Amraoui, Marlis Arnhold, Eleanor Betts, Chris Dickenson, Elizabeth Fentress, Miko Flohr, Annette Haug, Patric-Alexander Kreuz, Simon Malmberg, Stephan Mols, Eric Moormann, Cristina Murer, Candace Rice, Amy Russell, Saskia Stevens, Christina Williamson, Andrew Wilson, and Sandra Zanella.

A full programme will be available soon; more information can be found on buildingtabernae.org. Attendance will be free of cost for all interested academics and students, but registration will be required in order for us to plan numbers. More information on registration will follow around October 1st.